Taakstraf van 200 uur voor veroorzaker dodelijk vaarongeval Zoutelande

De 35-jarige B.F. is veroordeeld tot 200 uur taakstraf omdat hij op 23 juli 2019 een fataal speedbootongeluk veroorzaakte vlak voor de kust van Zoutelande. Ook is hij veroordeeld voor het varen met de speedboot terwijl hij onder invloed was van alcohol. Door snel, onvoorzichtig en onoplettend te varen, veroorzaakte hij een aanvaring met een rubberbootje waarin een 15-jarig meisje en haar stiefbroer zaten. Het meisje overleefde de klap niet. F. moet naast de taakstraf ook smartengeld betalen aan de ouders van het slachtoffer.

Onherstelbaar leed

F, zelf verklaarde tijdens de inhoudelijke zitting, nadat hij zijn ouders had afgezet in Zoutelande, de eerste meters rustig is weggevaren van de kust en dat hij op het moment dat zijn motor volledig in het water was voluit kon accelereren. Dat moment was de speedboot ongeveer 20 meter van de kustlijn. Op dat moment heeft F. geaccelereerd met ongeveer 70 à 80 procent van het vermogen van de boot. F. heeft het rubberbootje niet gezien. Zijn vriend riep na 3 à 4 seconden “Pas op, stop”. F. heeft toen direct achteruit geslagen waardoor de motor afsloeg en vol stuurboord roer gegeven. Links van de boot hoorde en voelde hij een tik. F. schat in dat de aanvaring op 20 à 30 meter vanaf het strand plaatsvond. Het was die bewuste dag druk met recreanten op het strand en in het water.

De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat F. te hard heeft gevaren voor de omschreven situatie. F. had zich de risico’s van zijn gedrag moeten realiseren, te meer omdat hij zelf heeft verklaard dat zwemmers en bootjes in dat gebied rare capriolen uithalen en soms verder uit de kust zijn dan je zou verwachten. Daarnaast weet F. , die al zeven jaar op de speedboot vaart, dat zijn boot bij het accelereren met het voorste deel uit het water komt waardoor hij minder zicht heeft. F. had over een langere afstand vanaf de kust langzaam moeten varen om geen gevaar te creëren voor mensen in en op het water en goed zicht te houden op het water om hem heen. Ook voor dat hij accelereerde had F. bij voldoende oplettendheid de opvallend gele rubberboot waar het meisje en haar stiefbroer in voeren moeten hebben gezien.

F. heeft groot en onherstelbaar leed veroorzaakt bij de nabestaanden van het meisje volgens de rechtbank. De rechtbank is zich er van bewust dat welke straf zij ook oplegt, daarmee het verdriet en het verlies van de nabestaanden niet kunnen worden goedgemaakt. De rechtbank houdt ook rekening met de impact van de aanvaring op F.. Hij zal moeten leven met het besef dat hij schuldig is aan een dodelijk ongeval. F. heeft op de zitting verteld zich verantwoordelijk te voelen voor het overlijden van het meisje en zijn spijt en medeleven aan de nabestaanden betuigd.

De officier van justitie vond het tijdens de inhoudelijke zitting afgelopen 6 augustus, dat bewezen kan worden dat F.  zich schuldig heeft gemaakt aan dood door schuld doordat hij zeer onvoorzichtig heeft gevaren. Daarnaast vindt de officier van justitie op grond van het dossier ook bewezen dat F. met teveel alcohol op een vaartuig heeft bestuurd. De officier van justitie eiste daarom ook een een taakstraf van 240 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf  van twee maanden met een proeftijd van 2 jaar en ontzegging van de vaarbevoegdheid voor drie jaar.

De verdediging vertelde in de pleidooi dat bij een bewezenverklaring van alleen ‘geen goede uitkijk houden’ een geldboete of taakstraf passend is en dat bij strafoplegging rekening moest worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Oordeel van de rechter

F. heeft volgens de rechtbank  met zijn speedboot op een te korte afstand van het strand geaccelereerd bij het wegvaren en daardoor onvoldoende zicht gehad op water er om hem heen op het water gebeurde. Dit deed hij ondanks het feit dat het die dag enorm druk was op het strand en hij dus moest weten dat er zwemmers en andere recreanten in het water aanwezig konden zijn. Nadat F. zijn snelheid had verhoogd, kwam hij in aanvaring met het rubberbootje met daarin de 15-jarige meisje , die samen met haar stiefbroer op de zee aan het varen was. Als gevolg van deze aanvaring en het daarbij opgelopen letsel is het meisje overleden. Na het ongeval is geconstateerd dat verdachte onder invloed was van alcohol. Alcohol en verkeer, ook op het water, zijn geen goede combinatie en het is een feit van algemene bekendheid dat daardoor het reactie- en het inschattingsvermogen kunnen worden aangetast.

F. heeft door zijn schuld groot en onherstelbaar leed veroorzaakt bij de nabestaanden van het meisje . Van de moeder en vader van het meisje zijn op de zitting verklaringen voorgelezen waaruit duidelijk bleek hoe zeer hun dochter wordt gemist en hoe haar ouders nog dagelijks geconfronteerd worden met de gevolgen van haar overlijden. De moeder van het meisje heeft vanaf het strand de aanvaring zien gebeuren. Zij heeft vervolgens tussen hoop en vrees geleefd toen haar zwaargewonde dochter naar het strand werd gebracht en de hulpverlening voor haar leven heeft gevochten. De moeder van het meisje moest vervolgens de vader op de hoogte brengen van het overlijden van hun dochter. Het verlies van een kind is ondragelijk. De manier waarop dat heeft plaatsgevonden zullen de ouders en overige nabestaanden de rest van hun leven bij zich dragen. De rechtbank is zich er van bewust dat welke straf zij ook oplegt, daarmee het verdriet en het verlies van de nabestaanden niet kunnen worden goedgemaakt.

Dat de rechtbank F. veroordeelt, betekent niet dat de rechtbank ook oordeelt dat F. dit heeft gewild; het ongeval niet en al helemaal niet het overlijden van het 15-jarig meisje . Dat heeft F.  ook op de zitting benadrukt. Deze veroordeling betekent wel dat hem het ongeval kan worden verweten omdat hij anders had kunnen en moeten handelen. Het gebruik van iets meer alcohol dan toegestaan vindt de rechtbank reden voor een iets zwaardere straf omdat F. daarmee bewust een risico heeft genomen.

De rechtbank houdt ook rekening met de impact van de aanvaring op F. . Hij zal moeten leven met het besef dat hij schuldig is aan een dodelijk ongeval. F. heeft op de zitting verteld zich verantwoordelijk te voelen voor het overlijden van het meisje en zijn spijt en medeleven aan de nabestaanden betuigd.

De rechtbank heeft ook gekeken naar de redelijke termijn. In beginsel moet een strafzaak binnen twee jaar tot een afronding komen. De redelijke termijn in de zaak van F. is gestart op 24 juli 2019, de dag dat verdachte in verzekering is gesteld. Vanaf dat moment kon F. verwachten dat hij zou worden vervolgd. De zaak had dus in beginsel uiterlijk twee jaar later op 24 juli 2021 afgerond moeten zijn met een eindvonnis van de rechtbank. De rechtbank doet op 20 augustus 2021 uitspraak. De rechtbank constateert dus dat de redelijk termijn met 27 dagen is overschreden, maar zal daar – gelet op de zeer geringe overschrijding – geen gevolgen aan verbinden.

De rechtbank vindt alles afwegend een taakstraf van 200 uur passend. Daarbij heeft de rechtbank ook gekeken naar vergelijkbare zaken, waaronder die die door de officier van justitie zijn aangehaald.

De officier van justitie heeft een ontzegging van de vaarbevoegdheid voor 3 jaar gevraagd. De rechtbank ziet daarvoor geen wettelijke basis in de Scheepvaartverkeerswet of een andere regeling. Artikel 35b van de Scheepvaartverkeerswet geldt alleen voor het varen op de binnenwateren. Daarvan is in dit geval geen sprake omdat het ongeval op zee heeft plaatsgevonden.

Geef een reactie