Hoge Raad laat veroordeling Geert Wilders in stand

De veroordeling van PVV-leider Wilders zonder strafoplegging door het Haagse gerechtshof wegens groepsbelediging blijft in stand. Dat heeft de Hoge Raad vandaag geoordeeld.
De zaak

Tijdens een partijbijeenkomst op de verkiezingsavond van 19 maart 2014 vroeg Wilders het aanwezige publiek of zij meer of minder Marokkanen wilden. Het publiek reageerde met herhaaldelijk ‘minder, minder’, waarna Wilders zei, ‘nah dan gaan we dat regelen’. Het hof oordeelde vorig jaar dat deze uitlating van Wilders, ook al is die gedaan in de context van een politieke bijeenkomst, onnodig grievend is geweest jegens een groep mensen van een bepaalde nationale afstamming. Het gerechtshof verklaarde hem schuldig aan groepsbelediging maar legde hem geen straf op. Tegen deze uitspraak stelde Wilders beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Cassatie(klachten)

De advocaten van Wilders vroegen de Hoge Raad de uitspraak van het hof te vernietigen. De cassatieklachten richtten zich onder andere tegen de bewezenverklaring door het hof van de groepsbelediging en tegen het oordeel van het hof dat de vrijheid van meningsuiting niet in de weg staat aan een veroordeling voor dit feit.

Advies procureur-generaal (PG)

PG Silvis adviseerde in zijn conclusie (opent in nieuw venster) (verwijst naar een andere website) van 18 mei jl. de veroordeling door het hof in stand te laten. Volgens de PG kon het hof oordelen dat het recht op de vrijheid van meningsuiting, in het bijzonder ook dat van een politicus, niet aan een veroordeling in de weg staat. De inbreuk op de vrijheid van meningsuiting van Wilders die daardoor ontstaat, is volgens de PG gerechtvaardigd omdat het in een democratische samenleving voor het behoud van de daarbij horende menselijke waardigheid noodzakelijk is op te treden tegen discriminatie door groepsbelediging wegens nationale afstamming.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad is van oordeel dat de cassatieklachten niet slagen. Bij het oordeel of een groep door een uitlating is beledigd wegens hun ras, waaronder ook de nationale afstamming valt, gaat het niet alleen om de woorden die zijn gebruikt, maar ook om de context waarin die uitlating is gedaan. Die context bestond er in dit geval uit dat Wilders, nadat een eerdere uitlating van hem over minder Marokkanen op een markt op 12 maart 2014 tot veel ophef en beroering had geleid, met zijn partijmedewerkers de speech die hij zou houden op de partijbijeenkomst van 19 maart 2014 heeft voorbesproken. Daarbij is de vraag aan de orde gekomen of alleen ‘Marokkanen’ of ‘criminele Marokkanen’ zou worden gezegd, waarbij Wilders goedkeuring heeft gegeven aan het voorstel om slechts te spreken van ‘Marokkanen’ in het algemeen.

Ook is gekozen voor het stellen van drie vragen om zo in kracht op te bouwen. Vervolgens heeft Wilders in die openbare speech doelbewust en in interactie met een daartoe vooraf geïnstrueerd publiek gezegd zich te willen inzetten voor “minder Marokkanen”, waarbij hij welbewust sprak over deze groep als geheel. Op die manier heeft hij deze groep beledigd. Dat is verboden op grond van de wet. Dat Wilders sprak als politicus maakt dit niet anders. Weliswaar moet een politicus zaken van algemeen belang aan de orde kunnen stellen, ook als hij daarmee anderen kwetst of verontrust, maar dat neemt niet weg dat hij in het publiek debat de verantwoordelijkheid draagt om te voorkomen dat hij uitlatingen verspreidt die strijdig zijn met de wet en met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat, waaronder uitlatingen die direct of indirect aanzetten tot onverdraagzaamheid.

De vorm waarin Wilders in dit geval zijn uitlatingen heeft gedaan, is onnodig grievend en overschrijdt die ook door een politicus in acht te nemen grenzen van de wet en grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Dat betekent dat het recht op vrijheid van meningsuiting niet in de weg staat aan een veroordeling voor groepsbelediging.

De overige klachten, waaronder de klacht over de constatering van het hof dat er geen inmenging van de minister of zijn ambtenaren in de vervolgingsbeslissing of de strafzaak is geweest, heeft de Hoge Raad met een verkorte motivering verworpen.

Met het oordeel van de Hoge Raad is de schuldigverklaring zonder oplegging van straf definitief.(Rechtspraak)