23 september 2020

HBP Media

Freelance verslaggeving

Foto: 𝓴𝓘𝓡𝓚 𝕝𝔸𝕀

Gebruik beeldmateriaal in verdachtenverhoor is maatwerk

Tekeningen, plattegronden, video’s, foto’s, virtuele reconstructies: steeds meer soorten beeldmateriaal worden, in steeds grotere aantallen, gebruikt in het verdachtenverhoor. En door de grote beschikbaarheid van videocamera’s op mobiele telefoons zal dit in de toekomst alleen maar toenemen. Toch is er nog maar weinig bekend over de effecten van de inzet van beeldmateriaal op de proceshouding van de verdachte en de keuze voor een bepaalde verhoortechniek door politie en justitie.

In opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie & Wetenschap hebben onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam en Universiteit Leiden onderzoek gedaan naar het gebruik van beeldmateriaal in verdachtenverhoor. De uitgevoerde studies in dit rapport laten zien dat beelden vaak anders beoordeeld worden dan tekstuele omschrijvingen. Zo worden camerabeelden vaak onterecht geïnterpreteerd als evidence verité (zoals het werkelijk gebeurd zou zijn). Dit rapport biedt een aantal aanknopingspunten voor de verhoorpraktijk. Ook onderstrepen de onderzoekers het belang van randvoorwaarden zodat beeld informatie kan verduidelijken voor verschillende groepen verdachten, en equality of arms: gelijke kansen borgen voor het maken, opvragen en gebruiken van beeldmateriaal.

De publicatie ‘Verbeelding in de verhoorkamer’ laat zien welk beeldmateriaal beschikbaar is en hoe dit wordt ingezet in het verdachtenverhoor. Hiervoor is gebruik gemaakt van een literatuurstudie, secundaire analyse van verhoortranscripten en interviews met makers en gebruikers (verhoorders, officieren van justitie en advocaten) van beeldmateriaal. Het is duidelijk dat zaakafhankelijkheid belangrijk is en dat maatwerk vereist is. Ook valt de grote aanwezigheid van camerabeelden op en hoe deze vaak onterecht geïnterpreteerd worden als evidence verité (zoals het werkelijk gebeurd zou zijn).

Uit een veldexperiment onder verhoorders blijkt dat de gruwelijkheid van een foto van een stoffelijk overschot en de herkenbaarheid van de verdachte op bewakingscamerabeelden, van invloed zijn op de aanname van schuld of onschuld van de verdachte. Ook zijn ze van invloed op de bij de verhoorder opgewekte emoties en morele verontwaardiging. Er is geen eenduidige invloed gevonden van de beeldkenmerken op de keuze voor verhoorstijlen.

In een labexperiment zijn studenten in de positie van verdachte gebracht. Daarbij is nagegaan hoe de proceshouding door het tonen van bewijs in de vorm van een video-opname in vergelijking met een tekstuele beschrijving wordt beïnvloed. De vorm van het bewijs had in deze simulatie duidelijk effect op de keuze voor de proceshouding; studenten die het geld uit de portemonnee hadden gestolen bekenden vaker schuld na confrontatie met het videobewijs dan na het lezen van het tekstuele bewijs. Ook bleek er verschillend gedacht te worden over de sterkte van video ten opzichte van tekstueel bewijs en vreesden met name onschuldige verdachten vaker voor een (onterechte) veroordeling na confrontatie met de videobeelden.

De bevindingen van dit onderzoek bieden belangrijke aanknopingspunten voor hoe in de praktijk vorm kan worden gegeven aan het vergroten van de bewustwording onder professionals betrokken bij het verdachtenverhoor. Onderzoekers Verhoeven, Vanderveen, Van Dillen en Kruit concluderen onder meer dat de verantwoordelijkheid van het problematiseren, duiden en nuanceren van beeldmateriaal nu veelal bij de verdediging gelegd wordt. De vraag is of die verantwoordelijkheid ook niet meer bij het OM moet liggen vanuit zijn magistratelijke rol, en bij degenen die beeld creëren dan wel inzetten. Verder moet het gebruik van beeldmateriaal tijdens een verhoor beter voorbereid worden en is het belangrijk dat aan verdachten wordt uitgelegd wat het doel is van het gebruik van beeldmateriaal tijdens een verhoor.

Foto: 𝓴𝓘𝓡𝓚 𝕝𝔸𝕀